|
De Fonslijn is een rubriek waarin U kunt kennismaken met onze literair medewerker Fons Pasjent en zijn zeer persoonlijke visie op alles wat met gezondheid en ziekte te maken heeft. Af en toe geeft hij (goedbedoelde) adviezen, die u echter beter met een paar flinke korrels zout kunt nemen. Over de onderwerpen in zijn columns kunt u met hem van gedachten wisselen. Stuur in dat geval uw imeel naar:
Ik woonde in een dorp met twee huisartsen. Echte dorpsdokters met de apotheek aan huis, zoals dat de gewoonte was. Het dagelijkse spreekuur begon 's morgens om 8 uur en duurde tot 12 uur. Meestal liep dat nog flink uit omdat er altijd wel een stelletje laatkomers om vijf voor twaalf binnen kwam hollen. Want, slim als we allemaal denken te zijn, gaan we vroeg (dus om 5 voor 8 op de stoep) óf laat. Maar omdat ik meen nòg slimmer te zijn, ging ik bij voorkeur om een uurtje of tien. Je kwam dan de wachtkamer binnen, mompelde zoiets van 'goeiemorgen' en zocht een stoel, liefst een beetje in de buurt van het lectuurtafeltje. Altijd "op voorraad" was dan de hele jaargang van Arts en Auto, Schöner Wohnen, een paar oude Prive's en nog wat Libelles, waarin het puzzeltje altijd al was opgelost. Mijn persoonlijke voorkeur ging echter altijd uit naar de Donald Duck om de simpele reden dat ik nogal lang kind ben gebleven en mij daar bovendien niet voor schaam. Die ene keer herinner ik mij nog goed. Ik moest naar de dokter om een prik te halen, omdat ik naar een "ver land" zou gaan. Ondanks het feit dat ik om tien uur kwam, zat de wachtkamer behoorlijk vol. Na een dik kwartier de Donald Duck bekeken te hebben en het zoemertje nog steeds niet was gegaan, zei ik, zo in het algemeen: hij is zeker weg geroepen voor een spoedgeval… De dame naast mij zei toen: ja, ik zag hem om negen uur al wegrijden. Iemand anders voegde daar nog geheel overbodig aan toe: wachten duurt altijd lang! Tjonge dacht ik: das dieper filosofisch denkwerk. Tegenover mij zat een man met een pet in zijn handen die hij aan één stuk door rusteloos rond zat te draaien. Af en toe keek hij zenuwachtig op zijn horloge. Plotseling stootte hij uit: ik zit hier al van acht uur en dit komt me niet bar goed uit: ik moet mijn hele moestuin nog omspitten. Ik red het al niet meer! Zonde van mijn dag. Nu heb ik een beetje vervelende gewoonte: ik kan mijn mond niet houden. Voor dat ik het wist, was het eruit: Nou, als u een hele tuin kunt omspitten, dan bent u ook niet zo erg ziek! Terecht geïrriteerd zei de man: dat kunt ú niet zien, u bent ook geen dokter en als ik zo naar u kijk mankeert u ook niks! Op zo'n moment word ik echt een rotvent: ik zal het u maar vertellen meneer: ik ga dood. Ik wil er verder niet over praten, ik heb het er al moeilijk genoeg mee en als u het niet erg vindt, ga ik nu liever door met lezen… Er viel een doodse stilte in de wachtkamer, de "pet" viel stil en iedereen keek strak naar de grond. Eindelijk klonk het zoemertje. De man met de pet wilde opstaan, weifelde, keek mij een beetje treurig aan en zei: gaat u maar eerst! Ik stond op, keek hem dankbaar aan en zei: u bent en goed mens, dank u wel meneer. Later hoorde ik dat hij bij het spitten inderhaast een stuk van zijn grote teen had afgespit. Toen hij ermee naar de dokter ging, werd hij meteen geholpen… Fons Pasjent Terug |