Van voor de oorlog

Naarmate je ouder wordt kun je je steeds minder herinneren van wat gisteren en eergisteren is gebeurd. Daarentegen komen de dingen uit je kinderjaren steeds makkelijker in je herinnering terug, waarbij het zelfs niet moeilijk is om je allerlei haarscherpe beelden voor de geest halen.

Voor alle duidelijkheid: ik was tien jaar toen de in 1940 de tweede oorlog ook in Nederland uitbrak. Ik kan mij dat allemaal nog heel goed herinneren, maar daar wil ik het nu niet over hebben. Misschien een andere keer.

Ik wil U vertellen van de tijd van voor de oorlog, de periode van de degelijkheid.

Alles was degelijk: huizen, fietsen, kleding en ga zo maar door. Als de schilder kwam om je huis te doen, bleef hij doorgaans twee tot drie weken, vaak nog met z’n tweeën ook. Afbranden, krabben, gronden, ‘inwassen’ met puimsteen, plamuren, schuren, voorlakken, schuren en dan eindelijk aflakken. Degelijk werk dus, maar je was er dan ook weer voor zo’n jaar of tien vanaf. Kleding! Op het platteland kochten de mannen een kamgaren pak dat zo degelijk was dat ze er hun hele leven mee deden en meestal nog in begraven werden ook.

Dat was pas kwaliteit! Vooroorlogs heette dat.

 

De gezondheidszorg was toen ook totaal anders dan nu. Zo puilden bij wijze van spreken de ziekenhuizen uit van de verpleegsters, het aantal verpleegdagen van toen, pakweg 10 zijn er nu nog maar 3. Beter, slechter? Huisartsen hadden 24 uur spreekuur per dag. Ja ja! Was je zwak, ziek of misselijk; je ging er gewoon heen op welk tijd van de dag dan ook. Je belde aan en òf de dokter zelf òf anders zijn vrouw deed open en bracht je naar de wachtkamer. Soms moest je wel eens lang wachten, want de hardwerkende dokter was vrij regelmatig op huisbezoek. ’s Nachts, maar dan moest het wel erg dringend zijn, van hetzelfde laken een pak! En alles lopend of op de fiets, want wie had er nu een auto? Ja, de dokter natuurlijk. Als er dus een auto voor je deur stond zeiden de buren: zeker iemand ziek…

Met de apotheek was al niet beter (of slechter?) gesteld. Alleen hadden die al zoiets als een weekend- en avonddienst geregeld. De service was echter ongekend: als de dokter zijn recept had geschreven (in dezelfde onleesbare hiëroglyfen als zijn huidige collega) belde je de apotheek op, tenminste als  je tot de happy few behoorde die en telefoon bezat. De “jongen” van de apotheek kwam dan het receptje halen en bracht enkele uren later de medicijnen keurig bij je thuis, gratis en wel.

Overigens verstrekte de apotheker maar vier soorten medicijnen, zelfgemaakte pillen, zelfgemaakte poeders, zelfgemaakte drankjes en als laatste nog een klein assortiment kant en klaar spul.

Was er erge haast bij dan werd ik als kwajongen naar de apotheek gestuurd met de boodschap dat ik er op moest wachten. Ik zat dan in een hoekje te kijken hoe dat er allemaal ging. Zo werden er allerlei geheimzinnige  ingrediënten in een retort samengebracht en tot een deegje gekneed. De assistente maakte er dan kleine balletje van en rolde dan op een glasplaat en een plankje erboven met draaiende bewegingen allemaal mooie kogelronde knikkertjes van. Ja, zo ging dat.

 

Ik vroeg U het al eerder: was het vroeger nu beter of slechter? Ik weet het niet! Heden ten dage is de medische wetenschap zo ontzettend ver dat er bijna voor elke kwaal een prima geneesmiddel bestaat. Ook de behandelmethoden zijn zo efficient en verfijnd geworden, dat ondraaglijk lijden, mede dank zij de vele uitstekende pijnstillers, bijna niet meer voor hoeft te komen. Dat we daar nu de gemoedelijkheid van vroeger voor moeten prijsgeven, nou ja: dat moet dan maar. Laten we onze zegeningen maar tellen…

 

Tot slot nog deze: een man kampt de hele dag al met een ernstige keelontsteking en hij kan nauwelijks nog een woord spreken, een zacht gefluister is alles. ’s Avonds, ten einde raad gaat hij naar de dokter en belt aan. De vrouw van de arts doet open en hij fluistert: Is de dokter thuis?  Nee, fluistert zij terug, kom d’r maar in!